zondag 28 april 2013

Spelend leren: 'ontwikkelingsfasen'.

0-6 maanden


Baby’s nemen waar met alle zintuigen. Ze kijken naar mensen en bewegingen, willen aangeraakt worden, ze sabbelen op een speen en willen erbij zijn. Baby’s maken kennis met de wereld en doen dit heel bewust met al hun zintuigen, met hun hele lijf. Eerst zijn de bewegingen nog ongerichte reacties. Een zuigeling van 1- 4 maanden volgt bewegende voorwerpen met de ogen en later ook met het hoofd. Na een paar weken wordt graaien, bewust grijpen. Na ongeveer 4 maanden gaat het slaan naar voorwerpen. Hij doet sla- en grijppogingen naar de voorwerpen die in zijn nabijheid zijn. Een reactie op het grijpen, bijvoorbeeld het geluid van een rammelaar stimuleert het bewegen. Zoveel mogelijk wordt met de mond afgetast. Het kind is langzamerhand steeds meer wakker en ontplooit verschillende activiteiten. De spelletjes met het slaan en grijpen worden steeds herhaald. Langzamerhand kunnen voorwerpen ook vastgehouden worden en weer worden losgelaten. Het kind ontdekt zijn voeten en speelt met zijn vingers. Zo leert het zijn lichaam kennen. De vingers worden in de mond gestopt en hij onderzoekt van alles en nog wat door het in zijn mond te stoppen. Het kind maakt onderscheid tussen gezichten van vreemde mensen en van mensen die hij kent. Hij moet wennen aan nieuwe gezichten, maar bekende gezichten worden enthousiast begroet. Hier wordt een begin van ‘hechting’ gemaakt. Deze periode is erg belangrijk voor de sociaal- emotionele ontwikkeling. Kinderen die niet veilig gehecht zijn gemaakt maken vaak een vertraagde spelontwikkeling door.

12- 30 maanden

De baby van 14 maanden begint rond deze periode te lopen. Hij is druk met het nadoen van allerlei handelingen. Op allerlei wijzen wordt er geëxperimenteerd: grijpen, werpen, slaan, in elkaar passen, zuigen, proeven, keuren, smijten, etc. De peutertijd kenmerkt zich door het willen uitproberen van alles wat ervaren en ontdekt kan worden. Een peuter bekijkt wat mogelijk is. Het kind krijgt een zekere mate van zelfbepaaldheid. Hij heeft meer notie van zichzelf als persoon tussen andere personen, dat zich vooral uit in het zoveel mogelijk zelf doen. Het kind dat veilig gehecht en zich veilig voelt, zal emotioneel vrij zijn, zelfvertrouwen hebben en vandaar uit nieuwsgierig zijn. Hij ontwikkelt een zekere autonomie van waar uit hij verder kan exploreren. De vertrouwde grote mensen zijn niet meer de enigen waar alles om draait. Leeftijdgenootjes worden interessanter, voorlopig vooral om naar te kijken en naast te spelen. Peuters spelen ongeveer de helft van de speeltijd alleen. Kenmerkend is het parallelspel: het naast elkaar spelen en elkaar ‘gebruiken’ als speelgoedje. Wanneer ze naast elkaar werken, kijken ze wel naar elkaar, maar zijn toch veelal bezig om hun eigen ideeën vorm te geven. De peuter wil bij de spelletjes de spieren gebruiken. Het imiteren van allerlei dagelijkse situaties ontwikkelt zich; het begin van symbolisch spel, het doen- alsof ontstaat hier.

Het kind van 2,5 – 5 jaar

Deze periode kent veel wisselingen. Het ene moment is het kind zelfstandig en wil hij ‘groot’ worden en het andere moment is hij weer afhankelijk en wil hij ‘klein’ zijn. Hij is er gevoelig voor complimentjes en afkeuring maakt hem erg onzeker. Het kind wil graag dat de ‘dingen’ waar hij mee speelt er ook als zodanig uitzien. Hij gaat ervaringen uit het dagelijks leven ‘naspelen’ en verwerkt op die manier zijn indrukken. De thema’s die kinderen op deze leeftijd graag spelen worden steeds ingewikkelder en het associatieve spel ontstaat. Ze zijn steeds meer gericht op de ander, reageren op de ander. Ze imiteren elkaars gedrag en ze identificeren zich met elkaar. Het kind wordt ook gevoelig voor vergelijking van zijn prestaties met de ander. De taal en motorische vaardigheden gaan een steeds belangrijker rol spelen. Kinderen van 3 jaar zetten wat ze tot dan toe hebben ervaren en uitgeprobeerd, door herhalen om in vaardigheden. De meeste activiteiten van kinderen op deze leeftijd zijn te herleiden tot herhalen, nadoen en invullen. Eindeloos herhalen, tot het zo vertrouwd raakt dat ze het blindelings kunnen. Nadoen om te begrijpen. Invullen om daar een eigen wijze bij te vinden. Daarmee wordt het spelen functioneler en gerichter. Speelgoed wordt meer en meer een hulpmiddel bij het spelen. Zo zijn de schep en de zandvormpjes nodig om taartjes te bakken, terwijl een jaar geleden het maken van zandhopen met de hand het kind uren kon bezighouden. De vier- en vijfjarigen weten heel goed dat een gevouwen boot iets anders is dan een echte boot. Ze gebruiken het materiaal dat er is- of dat nu overeenkomt met de realiteit of niet, en vullen dat verder aan met hun fantasie, hun verbeeldend vermogen. Daardoor kunnen ze de situatie, de mensen, de tijd en de ruimte in het spel naar believen veranderen en zelfs de toekomst erin betrekken. Tussen de twee en vijf jaar ligt het hoogtepunt van de ontwikkeling van symbolisch spel. Ook na het vijfde jaar blijft er ontwikkeling in symbolisch spel te onderkennen.

Het kind van 6 - 8 jaar

In deze periode wordt het erg belangrijk om bij een groep te horen buiten het gezin. Deze groep heeft zijn eigen regels, spelletjes, waarden, normen, formules en rituelen. Het kind krijgt hierdoor greep op de wereld en het gevoel dat het zelf beslist. De school en de vriendjes zijn voor de kinderen van deze leeftijd erg belangrijk. Het kind heeft de veilige en geborgen thuissituatie nodig als basis om van daaruit te exploreren en buiten het gezin te treden. Het overleggen met leeftijdsgenootjes speelt een steeds belangrijker rol, het samen plannen maken en uitvoeren. Gaandeweg het spel ontstaat er spontaan verhalen. De regelspelletjes zoals gezelschapsspelletjes en groepsspelletjes (vb. verstoppertje spelen) doen hun intrede. Regels zijn afspraken tussen mensen. Een spel met spelregels is daardoor per definitie een sociaal spel. De ontwikkeling van sociale vaardigheden wordt er zeker mee gediend: de kinderen leren wachten tot ze aan de beurt zijn, ze leren zich aan afspraken te houden, ze leren tegen hun verlies te kunnen.

Het kind van 9- 12 jaar

Kinderen van deze leeftijd willen het heft in eigen handen nemen. Ze willen uitblinken in sport, zingen, onderzoek doen, maatschappij- betrokken acties uitvoeren, zich bezig houden met hobby’s, interesses, clubs, technieken en feesten. Op deze leeftijd wil het kind wel bij de groep horen, maar het zich durven onderscheiden van de rest, wordt ook belangrijk. Het vrije spel maakt in toenemende mate plaats voor weloverwogen spel, volgens spelregels. Bij de gezelschapsspelletjes zijn de bedachte zetten die nog niet zijn uitgevoerd, belangrijker dan de stand op het speelbord. Strategisch denken en door gegevens te combineren achter geheimen komen, maakt het spel abstracter en cognitiever. Het spelen in de illusieve wereld bij bijvoorbeeld toneel spelen, blijft voortduren. Deze vorm van spelen wordt meer gezien als een vorm van vrijetijdsbesteding. Het kind van 11, 12 jaar wordt lichamelijk langzaam volwassener en ook geestelijk groeit het verder. De kinderen worden groot met allerlei problemen van dien. De puberteit doet zijn intrede. Een periode waarin het kind vaak geen raad weet met zichzelf en waarin het levenspatroon verandert. Qua spelniveau verandert er niet veel meer. De regels en afspraken worden aangepast aan het ontwikkelingsniveau.